The Dubbelman Connection

In Nederland geboren maar als strijder voor de boeren in Transvaal tegen de Engelsen gevochten.

Cornelis trouwde in Nederland op 03-06-1885 met Geertje Buis. Toen was Cornelis nog steeds in militaire dienst en daarom moest hij toestemming vragen voor het huwelijk.  Nadat hun enige overlevende kind was geboren (Pieter) emigreerde de familie in januari 1897 naar Zuid Afrika (Transvaal). Cornelis werd op 26-10-1897 genaturaliseerd tot Zuid Afrikaan en aangesteld als drukker in de staatsdrukkerij in Pretoria.

Toen de spanning tussen de Engelsen en de van origine Nederlandse boeren opliep, gaf Cornelis zich als vrijwilliger op voor het Hollanderkorps. Het korps was een vrijwilligersorganisatie ter ondersteuning van de boeren legers tegen de tijd dat de oorlog tussen de Engelsen en boeren uitbrak. De oorlog begon in oktober 1899 en Cornelis nam daar dus ook deel aan.  Hieronder een foto van het Hollanderkorps. Cornelis is de vijfde persoon aan de rechterkant..hollanderkorps.jpg

Door een gebrek aan goede communicatie en planning, moest de boeren strijdkracht onder generaal Kock het opnemen tegen een overmacht. De generaal had circa 400 man beschikbaar inclusief het Hollanderkorps en moest het opnemen tegen 3500 man Engelse troepen.

Toen de grote veldslag begon om 15:00 uur lokale tijd, had generaal Kock maar 400 man om de vijand tegen te houden. Het Hollanderkorps vormde de voorhoede en Cornelis was een van hen. Zoals te verwachten was werden de boeren verslagen en overleefde ook generaal Kock de slag niet. Als een van de weinig overlevenden kon Cornelis de volgende dag een brief schrijven aan zijn vrouw. Daarin beschreef hij wat hem was overkomen.

 

 

velddrukkerij.jpgOp 06-11-1899 werd Cornelis benoemd als voorman van de "Staatsdrukkerij te velde", een mobiele drukkerij die was gemonteerd in een spoorwagon. De drukkerij was uitgerust met als doel om orders, oproepen en dergelijke te drukken ten dienste van het boeren commando. Cornelis is de tweede persoon op de achtergrond vanaf links gezien..

In 1900, na de val van Pretoria, viel het leger van de boeren uiteen. Cornelis keerde terug naar Pretoria waar hij als drukker verschillende banen kende en later in Pietermaritzburg terecht kwam waar hij in 1939 ook overleed.

 

Hieronder de originele brief.

cornelis_1176_brief_scan.jpgNew Castle, 23 oktober 1899

Lieve vrouw,

Zeker heb je al gehoord van het gevecht dat wij gehad hebben. Vanochtend heb ik dadelijk getelegrafeerd dat ik gezond en wel uit het gevecht ben gekomen. Wij lagen met ongeveer 750 man, Hollanders, Duitsers en Afrikaners het verst vooruit zodat wij in de verte Lady Smith dat door de Engelsen is bezet konden zien.

Zaterdagmorgen toen wij pas op waren, klonk het bevel “opzadelen, de vijand is in aantocht”. Toen wij aan het zadelen waren sloegen de granaten al tussen ons in. Dadelijk trokken wij hem tegemoet, maar onze kanonnen hadden hem al zo de laag gegeven dat afdropen, maar hij had zijn doel bereikt en gezien hoe weinig mensen en kanonnen wij hadden. Wij gingen naar ons bivak terug en knie- halsterden onze paarden en lieten hen grazen.

’s-Middags om ongeveer twee uur kregen wij weer bevel om op te zadelen en stelling te nemen en al dadelijk begon van weerskanten een hevig kanonnenvuur. De Engelsen hadden hun soldaten met vijf treinen in het gevecht. Verschrikkelijk hebben wij gevochten. De berg, waarop wij lagen, dreunde.

Het regende kogels, granaten, kartetsen, maxim kogels en geweer kogels. Opeens kwam de Engelse infanterie van een andere kant op ons aanstormen, bij hopen schoten wij ze neer, maar aldoor kwamen er meer totdat ze boven waren op de kop waar wij schoten. Mijn patronen waren op, ik had er honderd twintig verschoten. Toen moest ik de kop over van de ene kant naar de andere, de kogels snorden om mij heen. Ik liep met nog twee anderen over, maar ik was de enige die over kwam. Toen liep ik naar mijn paard, dat gelukkig nog leefde want er lagen er vele dood, sprong er op en rende de kop ad over de klippen en gaten, onder een regen van kogels, het veld in, in de richting van de bergen. Toen zag ik Engelse cavaliers op ons aanstormen. Ik sloeg rechts af en bereikte een rivier die heel in de diepte stroomde en wilde daardoor, maar mijn paard weigerde.

Intussen was het donker geworden, wij hadden vier volle uren gevochten. Ik zadelde af en vouwde mij in mijn deken, sloeg de teugels om mijn arm en ging liggen. Van slapen natuurlijk geen sprake. Het was koud en het regende. In de verte hoorde ik af en toe nog schoten.

Toen ik zo ongeveer een uur had gelegen, begon mijn paard te hinniken en ik was bang dat ik ontdekt zou worden. Ik zadelde hem en leidde hem aan de hand lang de rivier totdat ik in de verte een brug ontdekte. Ik bracht mijn paard onder aan de wal en ging op handen en voeten met de revolver in de hand naar de brug toe. Ik zag niets en liep toen over. Toen ik zag dat het veilig was haalde ik mijn paard en reed in volle galop de brug over, de bergen in, tot ik aan een boerenplaats kwam die verlaten was. Daar stond een spijder en de paarden stonden op de veranda. Ik dacht “die mensen liggen binnen”, ik doorzocht de spijder en vond een groot blik cornedbeef en een veldfles, alles wat ik nodig had, want ik had buiten mijn geweer en revolver niets meer als een deken om onder te slapen. Mijn zadeltassen en regenjas lagen in het bivak en dat hadden de Engelsen. Ik vond een hoop voer voor mijn paard en zadelde af.

Toen mijn paard genoeg had, reed ik weg, maar nauwelijks was ik de weg op of uit de klippen kwamen twee ruiters op mij af. Ik had mijn revolver en sommeerde hen te blijven staan, maar toen zij Hollands hoorden, riepen zij: “ons is Afrikaner mensen”. Zij hadden ook geschuild voor de vijand en met ons drieën trokken wij verder. Ik was doornat en koud en in de hoefslagen van de paarden lag het ijs, zo koud is het in de bergen. Later troffen wij nog meer mensen aan die gevlucht waren.

Zondagavond kwam ik te New Castle aan zodat elk vierentwintig uur te paard had gereden. Daar lagen in een fort nog Hollanders die dadelijk eten voor ons klaarmaakten en koffie zetten. Ik blijf hier een paar dagen om uit te rusten en mijn paard een beetje te laten bijkomen en dan ga ik weer naar het lager toe. Telkens komen er weer mensen hier aan die gevlucht zijn.

Van de Graaf weet ik nog niets als dat hij is gevlucht zonder paard, dat dood geschoten was in het gevecht. Ik denk dat hij krijgsgevangene is.

Wij hebben het verloren, maar met ere. Wij waren 750 man, waarvan 50 gesneuveld en de Engelsen ongeveer bij de 5000, waarvan 600 gesneuveld. Wij verloren ook twee kanonnen en zij een kanon en een grote massa paarden.

Ik weet nu wat oorlog is, de ene dag komen wij in een dorp en in de huizen en winkels, die alle dicht gesloten en verlaten zijn, stoten met de kolf van het geweer de deuren open en nemen wat wij willen, kapten de laden open en doorzoeken alles, wij komen in de kamer waar de mensen ‘s- Nachts nog geslapen hebben en dan gevlucht zijn met achterlating van alles. Die ene dag hebben wij volop eten, kleren tabak, whisky, bier, alles. Wij nemen wat wij wilden, slapen in saloons op de canapé en de andere dag liggen wij ‘s- nachts in de modder en regen in “hotel de blote hemel” en leven van beschuit en biltong. De ene dag nemen wij treinen vol levensmiddelen en zadels, tuigen van de vijand af en de andere dag moet je vluchten met achterlating van alles.

Gisteren hebben de boeren ons al gewroken en hebben Dundee genomen en de Engelsen verlagen en nu gaan wij gezamenlijk naar Lady Smith.

Zoeven ontving ik uw brief van 16 oktober en zaterdag even voor het gevecht uw brief van 19 oktober. Het pakje heb ik niet ontvangen en ook niet dat van de staatsdrukkerij, het meeste wordt gestolen, dus geen pakjes meer sturen. Als ik het ontvangen had was ik het toch kwijt geweest, maar dat is het minste, ik leef nog. Zodra ik weer gelegenheid heb schrijf ik weer. Doe de groeten aan alle kennissen, zeg Piet van mij “goeie dag” en verder in gedachten omhelsd door uw liefste man.

C. Dubbelman

Mijn adres blijft Hooflager, Volksrust