The Dubbelman Connection

Hoepels op een hoop, prachtig
BN / De Stem, 24 juni 2006

Elke maandag werd er gelapt om een paar maatjes brandewijn te kopen, maar van een drinkgelag kwam het niet. De borrel had niks te maken met een gezellig onderonsje. De hoepelmakers dronken zich op maandagmorgen even moed in om de rest van de ellenlange werkweek door te komen. En om de armoede te vergeten.

Het griendhout werd gesneden en in schoven vervoerd naar de haven en aangeleverd aan de hoepelmakers De hoepelmakers bewerkten het griendhout en maakten hoepels. De hoepels werden gebruikt voor het maken van vaten.
Griendhout.jpg Hoepels fabricage 1.jpg

Foto's Heemkundekring Willem Snicherieme, Hooge en Lage Zwaluwe

Het was een mooi gezicht, gestapelde hoepels, iets om trots op te zijn. Hoepelmakers maakten hoepels, in dorpen en steden rond de Biesbosch, zoals Lage Zwaluwe, Sliedrecht en Hardinxveld. „Veel mensen verdienden hun brood met de hoepels, maar het was geen mooi brood“, zegt Bas Dubbelman (72) uit Hooge Zwaluwe. Zijn grootvader, Bas, had in Lage Zwaluwe een hoepel bedrijf, een van de vele. Begin vorige eeuw telde Lage Zwaluwe zo’n vijftien, twintig van deze fabriekjes, schat Dubbelman. Bij de grote werkten tien mensen, bij de kleinere een stuk of drie. Ze beheersten een vak apart, met mooie bijbehorende woorden. Het hout voor de hoepels kwam van de laag afgeknotte wilgen van de natte akkers, de stukken grond die bij vloed onder water liepen, in de Biesbosch, van de kop bomen. De lange stokken werden met een dissel in de lengterichting in tweeën gespleten, of soms ook in drieën, met een klucht. Dissel en klucht zijn een soort messen.

„Het kluchten van het hout doet oogziend simpel aan, maar is in werkelijkheid een handeling welke een langdurige training vraagt en vormt fysiek gezien voor de hoepelmaker een grote polsbelasting“, zo staat in oude verslagen. De gekloofde stokken werden met een ander mes van de bolling ontdaan, zodat een plat stuk hout ontstond. Met een buigmachine werden de platte latten voorgevormd tot een ronde hoepel, ‘welke op het schijvenbord werd ingelegd in een maat-hoepel’.

De ene hoepel is de andere niet; Dubbelman maakt onderscheid tussen de witte en de gewone. De witte hoepel is van de bast ontdaan, waardoor de witte binnenkant van de wilg zichtbaar wordt. Om bederf tegen te gaan, werden witte hoepels een nacht in een zwavelschuur gelegd, zodat de zwaveldampen in het hout konden trekken. Dubbelman wordt ingetogen enthousiast als hij vertelt over de mooie aanblik die de stapels hoepels boden, her en der opgestapeld in het dorp. Of de schepen, geladen met hoepels, in de haven van Lage Zwaluwe. Prachtig.

Vanuit de haven vertrokken de hoepels naar Duitsland, Engeland, Denemarken, Noorwegen. Ze werden daar niet gebruikt als kinderspeelgoed, maar bij de fabricage van vaten en tonnen. ‘Jan Huigen in de ton, met een hoepeltje erom’.
Met de opkomst van de metalen drums, na de Tweede Wereldoorlog, verdween in één klap het hele vak van hoepelmaker van de aardbodem. Jammer, maar helaas.

Hoepelmakers van toen, voor zover ze nog in leven zijn, zullen echter niet met veel weemoed terugkijken op die tijd.
„Ze begonnen ’s morgens om vier, vijf uur te werken, bij het licht van een petroleumlampje“, herinnert Bas Dubbelman zich. „Kun je je dat voorstellen?“ Moeilijk.

En dan vertelt Dubbelman nog een onvoorstelbaar verhaal. Lage Zwaluwe was tot lang na de oorlog verdeeld in twee delen, het katholieke en het protestante. Hoepels maken, dat was iets van de protestanten, zoals al het werk in de Biesbosch volgens Dubbelman voornamelijk door zijn geloofsgenoten gedaan werd. Wat de katholieken dan deden? Dubbelman heeft geen idee. „Ik weet niks van de andere kant.“

De andere kant, de katholieken. Vechten, dat deden ze vroeger met elkaar, de protestanten en de katholieken. En verder niet veel. „Als we in de zomer gingen zwemmen, zwom er misschien één katholiek tussen honderd protestanten.“

Soms drong een katholiek door de waterscheiding heen, ook als het erom ging aan een baan te komen. „Ik heb er zelf nog mee gewerkt, met een katholiek“, zegt Dubbelman. Maar veel weten over die ‘andere’ dorpsgenoten, nee dus. „Ik vraag me echt af waar die mensen de kost mee verdienden. Misschien dat aan de andere kant hoofdzakelijk landbouw de bron van inkomsten was“, oppert Dubbelman.

En dan doet de protestant een ontboezeming. „We gaan vanavond eten in restaurant Candlelight, naast de katholieke kerk.“
Vroeger was dat onbestaanbaar.

Interview door Dominique Elshout met Bas Dubbelman

NB Bas en zijn grootvader zijn lid van het parenteel van Michiel (intern# 824). Mijn overgrootouders waren griendbazen die mensen in dienst hadden die het griendhout oogsten.